Column: Samen leven

We zaten elke dag van de vakantieweek in Italiaanse treinen, die elk aan de binnenkant volgespoten waren met graffiti. Soms kon ik in een klein hoekje van een raam toch naar buiten kijken. Onder een brug zag ik tentjes staan, een blauw zeil dat omhoog gehouden werd door een bos takken en heel veel zwervend troep. “ Ach ja”, zei de camping eigenaar, “niet iedereen heeft het breed hier. Wij kennen geen sociaal vangnet, zoals jullie, als je geen werk hebt, heb je dus ook geen steun.” De campingeigenaar, een aardige man met een slecht gebit, zat naast ons aan een tafeltje. Hij nam een slok Italiaanse wijn en liet een boer. “Toen mijn vrouw ernstig ziek werd kon ze niet meer hele dagen werken. Dus moest ik méér werken om genoeg inkomen te hebben.”

Sterren fonkelden in de diepdonkere nacht. Krekels tsjirpten. Het kaarsje op tafel zou snel uitgaan, het vlammetje verdronk bijna in het gesmolten kaarsvet. “Ze leeft nog wel, gelukkig. Maar als ze er niet meer is, wat moet ik dan? Nee, jullie Nederlanders kunnen ontzettend zeiken. Maar jullie hebben het land echt wel goed geregeld.” Ik keek m’n vriendin aan. En ik dacht aan dat eeuwige gezeur dat je overal hoort en leest in de kranten en op televisie over allerlei Nederlandse onnodige kleinigheden. Het kaarsje ging uit. “Ik ga naar bed”, zei de man en hij stond op. “Morgen weer een lange dag”. Wij zouden terug naar huis gaan de volgende dag. Terug naar het vertrouwde Nederland. Samen.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven