Column: (N)ergenshuizen

Zijn volgroeide wenkbrauwen leken borstels. De rimpels in zijn gezicht gaven hem een woest uiterlijk, zijn mondhoeken hingen laag. Hij zat tegenover me. “En waar moet u naar toe?” vroeg hij op een uiterst vriendelijk toon. “Ik ga naar Vleuten” antwoordde ik. Hij stak zijn hand uit, als teken van vriendelijke begroeting, maar deze vriendelijkheid sloeg ik af. Even ervoor propte hij een vinger van diezelfde hand in één van zijn nauwe neusgaten. Toen ik geen aanstalten maakte zijn hand te pakken, verdween zijn wijsvinger ten tweeden male in hetzelfde gat. “Waar moet u naar toe?” vroeg hij nogmaals. Ik glimlachte maar. Hij stond op en draaide zich om. Bus 28 schommelde, en hij liet een knetterende wind. Recht in mijn gezicht. Ik verschoof mezelf naar het raam van de bus. “En waar moet u naar toe?” vroeg hij aan een lege stoel. Zij gezicht betrok en hij nieste bijzonder hard. Een klodder groene fluim zwiepte door de bus. Nu zag ik dat een blote teen door een gat in zijn schoen stak. De rug van zijn rode jas was verkreukeld. De bus stopte. Hij sjokte de bus uit. Ik keek hem na. “En waar moet u naar toe?” dacht ik.

3 gedachten over “Column: (N)ergenshuizen”

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven